Smederij ‘Den Eijkel’ stond ooit op kloostererf

Het onderstaande artikel stond eerder in Extra Nieuws, editie Culemborg, van woensdag 31 januari 2001, als een van de zeventien afleveringen van de rubriek ‘Monumentenpraat’, die vanaf oktober 1999 tot eind mei 2001 in genoemde weekkrant zijn verschenen.
De tekst is hier nader verduidelijkt en verder van bronvermeldingen en nieuwe illustraties voorzien.


 

Aan de Zandstraat staat een Rijksmonument. Een juweeltje dat terecht de hoogste bescherming verdient. Het is het huis nummer 23: de oude smederij van Cees Heij. Vroeger heette het pand ‘Den Eijkel’. Een fraai uithangbord zal er destijds uiting aan hebben gegeven. Paarden worden er al lang niet meer beslagen, want de smid overleed in 1993. Nadien is er vijf jaar een antiekzaak in gevestigd geweest. Nu (dat is anno 2001, toen dit artikel voor het eerst in de krant verscheen) staat het pand leeg, in afwachting van restauratiegelden.

Cornelis Springer schilderde de smederij in 1860. Hij bezocht Culemborg in 1859 en maakte er toen een schets van. Het huis ernaast en dat aan de overkant in de straat zijn fantasie. (collectie Elisabeth Weeshuismuseum)

Cornelis Springer schilderde de smederij in 1860. Hij bezocht Culemborg in 1859 en maakte er toen een schets van. Het huis ernaast en dat aan de overkant in de straat zijn fantasie. (collectie Elisabeth Weeshuismuseum)

Ooit is er sprake van geweest om hier een smederijmuseum te vestigen. Dat is allemaal niet doorgegaan. Een gemiste kans? Zeker. Aambeeld en vuurplaats zijn er nog steeds. Die kun je zien als je door de vuile ramen naar binnen tuurt. Maar juist de grote smidsmachines zijn alle verdwenen; ze zijn verkocht voor oud ijzer.

In 1999 wisselde het monument van eigenaar. Architect André Hoek kreeg opdracht voor de restauratie. De plannen zijn al een jaar klaar. Het wachten is op geld. “Wat mij zorgen baart, is dat het pand zo hard achteruitgaat”, vertelt Hoek. En dat laatste is zeker waar! De voorbijganger kan het allemaal zelf zien. Het pand staat er tamelijk mistroostig bij: de verf bladert af; boven zit er geen voeg meer in.

 

Gevelversiering

Een topmonument? Jazeker, al was het maar om de bijzondere gevelversiering, met fraaie muurijzers, metselmozaieken, leeuwenmaskers en talrijke hoofdjes. Die ‘kopjes’ (consoles) onder de geprofileerde bogen boven de ramen zijn allemaal verschillend. Onder de ramen op de zolderverdieping en de ramen eronder loopt een bakstenen waterlijst over de gevel. Een aantal natuurstenen banden doorsnijden het metselwerk. “Het is een van de mooiste gevels van Culemborg, in detaillering en stijl”, aldus Hoek.

De voormalige smederij, anno 2024, in de Zandstraat.

De voormalige smederij, anno 2024, in de Zandstraat.

Het huis bestaat uit een klein vierkant voorhuis en een nog niet zo oud achterhuis. Het ene dateert van het begin van de zeventiende eeuw, het laatste is niet ouder dan 200 jaar. Mogelijk heeft het voorhuis ooit een trapgevel gehad (zoals Zandstraat 9, dat qua versiering veel gemeen heeft met het hier behandelde pand). Het dak ligt nu dwars. Er zit een oud spant in, uit een ander pand, dat hier is hergebruikt. Binnen bestaan de zolderingen uit moerbalken en kinderbinten. Beneden is nog de aanzet aanwezig van de oude spiltrap die achter de smidse heeft gestaan.

 

Rommelig allegaartje

Wat menigeen die ’s zaterdags bij de Albert Heijn zijn boodschappen doet, wel eens opgevallen zal zijn, is de achterkant van de schuur achter het huis. Het lijkt hier aan de Kapelhof een rommelig allegaartje: een torentje, wat bogen en een gotisch venster. “Je kunt eraan zien dat hier een kerkje heeft gestaan”, verduidelijkt Hoek. En hij heeft gelijk.

Achter de huizen aan de Zandstraat stond namelijk het vijftiende eeuwse Jerusalemklooster van de Kruisbroeders, of ‘Bewaerders van ’t Heilig Graf’. De achttiende eeuwse geschiedschrijver Voet zegt ervan: “Dit is een groot en wijd uitgestrekt Convent geweest, gelyk nog te zien is aen de overblyfsels”. We spreken dan 1750. Het klooster was toen al een ruïne.

Muurresten van het Jerusalemklooster in de schuur aan de achterzijde van de voormalige smederij aan de Kapelhof.

Muurresten van het Jerusalemklooster in de schuur aan de achterzijde van de voormalige smederij aan de Kapelhof.

Het Jerusalemklooster lag tussen de Zandstraat en de vroegere Kloosterstraat. Het terrein reikte dus tot net achter de (inmiddels anno 2024 verdwenen) Aldi supermarkt en Rabobank (aan de Boerenstraat). Hier stonden een kloosterkerk en diverse gebouwen, waaronder een boerderij en brouwerij, met een boomgaard. Het kerkgebouw zelf stond langs de zgn. Kloostersteeg. Deze begon tussen Zandstraat 17 en 19. Je kunt daar nog steeds een soort ‘poortje’ zien.

 

Brug in de Zandstraat

Noordelijk van deze steeg liep de zgn. Klooster-, Monniken- of Duikersloot. Het water stroomde hier, via een heul of duiker, vanaf het Janskerkhof onder de Zandstraat door. In de straat heeft dus ooit een soort brug gelegen! In de grond moeten nog aanzetten zitten van een fundament. De Duikersloot was onderdeel van de Rekummer, de oude waterloop die het water van Redichem onder de stadsgrachten door in westelijke richting afvoerde.

Het Jerusalemklooster op de vogelvluchtkaart van Blaeu uit 1649. Aan de Zandstraat staan tussen de Kloostersteeg en de put bij de wagenweg van de kloosterboerderij een zestal huizen die een erfrente betaalden aan het klooster. (Culenburgum, Atlas van Stolk)

Het Jerusalemklooster op de vogelvluchtkaart van Blaeu uit 1649. Aan de Zandstraat staan tussen de Kloostersteeg en de put bij de wagenweg van de kloosterboerderij een zestal huizen die een erfrente betaalden aan het klooster. (Culenburgum, Atlas van Stolk)

De kerk zelf heeft niet achter de smederij gestaan, maar achter het buurpand nummer 21. Hoek wijst op de dikke zijmuur (aan de noordkant), die 1.20 meter breed is. “Dit is een echte kerkmuur, dat kan bijna niet anders”. De bouwsporen aan de achterkant van de schuur zijn waarschijnlijk van de sacristie geweest. “Er is zoveel aan vermetseld”, zegt Hoek. Zo was het ’torentje’ links in de gevel oorspronkelijk helemaal geen torentje, maar een trap in de muur, waarlangs je hoger in de kerk kon komen.

 

‘Een kleyn huysken of camer’

De naam ‘Den Eijkel’ komt al in de zeventiende eeuw voor. In 1633 betaalt Jan Anthoniszoon namelijk een erfrente van 12 gulden en tien stuivers aan het Jerusalemklooster uit zijn huis ‘genaamt den Eijckel, staende aen de Santstraet’. Het huis is dan nog geen smederij, want Jan zelf was bakker. Hij woonde twee huizen verderop, in een huis dat toen heel toepasselijk ‘Het Wittebroods Kind’ heette.

In 1741 is Den Eijkel al wel een smederij, en dat is het sindsdien ook gebleven. In dat jaar verkoopt Jacob van Heumen aan Rochus van Weelen zijn huis met ‘de Blaasbalg, aambeeld en verder de Smitswinkel, en al wat tot de smederij behoort’. Smid van Heumen kocht het pand in 1727 voor 180 gulden; de akte of schepenbrief daarvan is helaas niet bewaard gebleven.

De trapgevel van Zandstraat 9 heeft qua versiering sterke overeenkomsten met de gevel van de voormalige smederij. De onderste waterlijst is aldaar vermoedelijk verdwenen, toen het voorhuis in 1727 een smidse werd.

De trapgevel van Zandstraat 9 heeft qua versiering sterke overeenkomsten met de gevel van de voormalige smederij. De onderste waterlijst is aldaar vermoedelijk verdwenen, toen het voorhuis in 1727 een smidse werd.

Het erf van de smederij heeft vroeger tot het Jerusalemklooster behoord. In 1619 koopt Dirk Janszoon (zoon van de eerder genoemde Jan Thoniszoon) daarvan namelijk ‘het huysken daer Jan die Byster innen gewoont heeft’. Dat kostte hem 325 gulden.
Er zijn in die tijd meer kloostererven verkocht, want ook Willem de messenmaker betaalde in 1619 een erfrente ‘uyt zijn huys staende op des convents erff’. Blikken we iets verder terug, dan blijkt dat Jan de Biester (of biezenmatter) in 1615 nog in zijn ‘kleyn huysken’ woonde. Hij deed dat ‘om godes wille’, dus gratis en voor niets. Het huis was te bouwvallig om er huur voor te vragen. En dat gold ook voor andere huisjes. Er waren er toen nóg drie. ‘Al welcke huyskens geheel onder de voet vallen’, staat er bij. Ze stonden dus op instorten.
In oudere rekeningen is sprake van ‘camers, staende aende Santstraet’ die verhuurd werden. Het moet hier om de zo even genoemde ‘huyskens’ gaan. Zij zullen nadien wel allemaal verkocht zijn, net zoals het huisje van Jan de Biester. Om daarna te wijken voor degelijke nieuwbouw.

 


 

Architect André Hoek overleed in 2021.
De voormalige smederij wordt sinds 2004 bewoond door het kunstenaarsechtpaar John Sikking en Henny van der Meer. Zij lieten het pand grondig restaureren.

 

Reacties zijn gesloten.